"Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet!"

Slider
Geloof gevraagd
Lezen: Jozua 5:1-9
Zingen: Psalm 105: 5

Van Gilgal gaat een merkwaardige spraak uit. Want in Gilgal verzamelt zich het volk Israël onder leiding van Jozua na de doortocht door de Jordaan. Maar wanneer het volk zich in Gilgal heeft verzameld, krijgt Israël een merkwaardige opdracht.
Ze staan in het beloofde land. Maar het land is nog bezet gebeid, het is bezet bezit. De Kanaänieten hebben het land volledig in de macht en ze staan ook niet te popelen om het land uit handen te geen en zich aan dat volk der Israëlieten, uit Egypte gekomen, over te geven.

Lange jaren heeft het volk rondgezworven en nu eindelijk is het grote moment gekomen om het beloofde land voorgoed te beërven, zodat ze een nieuwe maatschappij kunnen opbouwen: ,,van herder tot boer’’, zoals reeds Mozes aan het volk zijn wetten en voorschriften voor een nieuwe samenleving en andere samenlevingsverhoudingen had gegeven.

En dan komt tot hen het bevel om zich nog niet in de strijd te begeven. Ze moeten zich zelfs schijnbaar weerloos maken: de besnijdenis moet plaatsvinden voor allen die in de woestijn waren geboren. Israël kenden de besnijdenis wel, maar paste de inzettingen van de Here niet altijd toe. Evenmin als de sabbat door Israël altijd nauwkeurig is onderhouden, hoezeer men de sabbat wel kende  (Ex. 16:5), zo waren er vele Israëlieten (denk aan Mozes en Zippora!) die de besnijdenis bij hun kinderen niet hadden toegepast in de woestijn. Nu moest dat verzuim worden goedgemaakt. Maar dat betekent dat men zich, zo dicht bij de vijand weerloos moet maken! En dan volgt daarbij nog dat men feest moet gaan vieren: het Pascha moet gehouden worden. In plaats daarvan dat men de strijd gaat aanbinden en het land in bezit gaat nemen, moet het volk Israël leren wachten en zich  geheel aan God overgeven en zich op Hem verlaten. Deze plaats krijgt dan ook  later zo’n belangrijke, zo’n beslissende plaats in het leven van Saul: daar vergrijpt hi  zich door niet te wachten op Samuel. Dan kan hij ook geen koning zijn: hij verloochent de heilsgeschiedenis, de daden van God en verlaat zich niet op Hem (1 sam. 13: 7 e.v.) Want Gilgal spreekt van het eerherstel van Israël: de smaad is weggenomen, deze smaad die men moest dragen, dat de volkeren zeiden dat hun God wel kon beginnen maar niet kon voltooien. God had hen wel uitgeleid, maar het verliep in een langdurige zwerftocht. Nu staan ze in het land en daarom zal er eerst feest worden gevierd: eredienst gehouden voor de Here hun God. En zo is het nog, want elke eredienst betekent een wijd perspectief: hoewel nog met de vijand voor ogen, midden in een wereld van zonde en ongerechtigheid, vieren we de volle rust. Verwachtend een nieuwe wereld.

 

Deze Schriftoverdenking is genomen uit het boek “Van boek tot boek, van dag tot dag”, onder redactie van ds. D. Vreugdenhil en uitgegeven bij J. Boersma te Enschede in 1979. Deze Schriftoverdenking is van de hand van ds. J.M. Goedhart.